Als je goed oplet in het bos, zul je zien dat de lente eigenlijk op de grond begint. Daar kondigen sneeuwklokjes en andere vroegbloeiers de lente aan. Nog voordat de struiken bladeren krijgen willen ze zoveel mogelijk zonlicht opvangen. Dat het in het begin van de lente nog wat kouder is, nemen ze voor lief.

Daarna zijn de struiken aan de beurt, die grijpen hun kans op zonlicht voordat de bomen bladeren krijgen. De knoppen worden kleine lichtgroene blaadjes en langzaam komt er door het hele bos een soort groen waas te hangen. En als laatste krijgen de bomen blad. Ook het vogelgezang neem mettertijd toe. In het weiland kun je weer scholeksters zien lopen. In de lente en de zomer pikken ze daar graag naar wormen, maar in de winter trekken ze naar de kust (o.a. de Wadden), want dan zijn schelpdieren een stuk makkelijker te vinden dan wormen. Als je geluk hebt, kun je zelfs ooievaars in het weiland zien lopen.

Bij de Westerhoeve, de boerderij naast onze blokhut, gaan de koeien weer naar buiten.

Voor ons mensen is een windstille dag en een bleek lentezonnetje al voldoende om onze lentekriebels in gang te zetten. We zijn dan de winter nog gewend en elke dag die een paar graden warmer is, voelt dan meteen heel aangenaam. Des te meer reden om buiten een gaaf spel te doen, te kamperen of om je eens lekker uit  te leven met een bijl. Ook voor de vrijdagavondspeltakken wordt het weer steeds makkelijker om lekker naar buiten te gaan. De temperatuur helpt, maar het licht helemaal.